Blog

Waterleiding vervangen in het Centrum van Amsterdam

Het is een vrijdagmiddag ergens eind jaren ’50, als Karel en ik te horen krijgen dat we ons die maandag erop mogen melden bij een adres aan de Herengracht. De loden waterleiding moest worden vervangen door een koperen exemplaar en Karel is opvallend verheugd.

Zodra Baart, onze baas, zijn hielen licht uit het souterrain op de Singel, geeft Karel te kennen dat deze klus voor ons ‘heel erg leuk zou worden’.

Een waterleiding vervangen? Leuk? Waarom? Ik had geen idee. Maar ik was nog maar een leerling, een groentje, en ik wilde natuurlijk niet dom overkomen. Daarom zei ik maar dat ik ook enorm naar deze klus uitkeek. Wist ik veel…

Dan is het maandag en het eerste dat me opvalt is dat Karel zijn vertrouwde loodgieterspak had verruild voor een andere broek met bijpassend werkvest.

Afijn, we zijn dus op de Herengracht en gaan aan de slag om de waterleiding te vervangen, en Karel deelt het werk in.

“Hé,” zegt ‘ie dan samenzweerderig. “Jij kan ook wel een zakcentje gebruiken, toch..?” Natuurlijk zei ik ja en al snel werd me duidelijk waarom hij toch die andere broek had aangetrokken.

Want, wat bleek? Deze broek was door Karels vrouw onder handen genomen en voorzien van steekzakken die doorliepen tot aan zijn knieën.

Diepe zakken, waar heel wat in paste. Stukken lood, bijvoorbeeld.

Karel sneed de loden pijp in stukjes. Een deel daarvan ging braaf in de speciale zakken die door baas Baart werden verstrekt, maar een ander deel verdween net zo makkelijk in de speciale zakken van Karel.

Ik kreeg de instructie om op de uitkijk te staan en te fluiten als Baart in de buurt was. Zo waren we lekker aan het ‘werk’ tot ineens, tot mijn grote schrik, de baas voor mijn neus stond!

Die Baart was ook niet gek, die had op de begane grond zijn schoenen uitgetrokken en was zachtjes naar boven geslopen.

Natuurlijk begon ik meteen te fluiten, maar ik was zo nerveus dat ik alleen nog maar een beetje halfbakken kon blazen.

Gelukkig had Karel Baart ook gehoord en hij gedroeg zich op slag als een engel die de waterleiding stond te vervangen. De baas had niets door en verliet het pand weer om een andere klus op te gaan nemen.

Na de volgende dag weer aan de slag te zijn geweest reden Karel en ik naar het Waterlooplein, waar een lood- en ijzerhandelaar genaamd Firma Stubbe zat. Daar werd het lood dat wij achterover hadden gedrukt bij het vervangen van de waterleiding gewogen. Het bleek dertig gulden waard te zijn.

Toen we even later buiten stonden en ik Karel om mijn deel vroeg, stelde ik verbaasd vast dat hij me tien gulden in mijn hand drukte.

“Hé!” zei ik. “We zouden toch alles delen?”

Hij zei: “Wie jat nou dat lood? Jij of ik? En als ik je vraag om te fluiten begin je te blazen, klootzak. Die tien piek is dus meer dan voldoende.”

Karel-de-worstelaar was zó sterk. Met een arm tilde ‘ie me op tegen de muur, waarbij het kruis van mijn broek behoorlijk diep sneed op een plek waar de zon niet schijnt. Ik gaf dus verder maar geen commentaar meer.

En daarbij, tien gulden op een weeksalaris van twintig, dat was toch verdomd lekker meegenomen.