Blog

Doorkijkspiegels plaatsen op de Wallen in Amsterdam

Amsterdam, eind jaren ’50.
Mijn maat Karel en ik kregen de opdracht om een van de allereerste doorkijkspiegels te plaatsen, en wel bij een hoertje op de Oudezijds Achterburgwal.

Met de spiegel in onze bakfiets meldden we ons bij Madame en vroegen haar waar de spiegel geplaatst mocht worden. Tot onze verbazing wees zij, in de peeskamer, een kleine kledingkast aan. De kast was leeg, op een stoel na, en zou worden verhuurd aan mensen die graag mochten kijken. Slim, want dat leverde haar dubbele inkomsten op.

Ze zei dat we dit klusje maar snel moesten klaren, want ‘de klandizie ging gewoon door’. Karel, kampioen worstelen afdeling Amsterdam, begon aan het uitzagen van het middenpaneel van de kastdeur terwijl hij met een schuin oog naar haar keek.

“Ziet er heerlijk uit,” hoor ik hem nog mompelen.

Terwijl ik begon met het plaatsen van het onderste U-profiel voor de spiegel, besloot hij even uit te blazen op de stoel, in de openstaande kast.

Ineens gaf Madame te kennen dat er een klant was, en of wij zo vriendelijk wilden zijn om de kastdeur dicht te doen.

Tja, en wie waren wij om dat te weigeren? Dus ook al stond de spiegel nagenoeg los in dat ene profiel, ik schoot bij Karel die kast in en zij sloot snel de deur.

Die kast was alleen niet bepaald gemaakt voor twee personen. Karel zat op de stoel en ik stond tussen zijn benen geklemd, terwijl ik ondertussen die spiegel tegen de achterkant van de kastdeur aanduwde. Zaten we dan, in dat benauwde hok.

Toen kwam de klant binnen. Door de doorkijkspiegel zagen wij hem wel, maar hij ons niet. Het was een grote kerel, type brandweerman. Terwijl hij voor de spiegel stond begon hij zijn blouse uit te trekken.

Zijn broek werd opgehouden door bretels, die hij met zijn vingers oprekte en op zijn lichaam liet kletsen, steeds opnieuw, terwijl hij naar de hoer “IK GA JE RAKEN!” riep.
Zij lag al voor hem klaar en riep steeds: “Kom maar lieverd, ik ben er klaar voor.”

Nou, en hij ging me een partij tekeer! De vonken vlogen ervan af, dat grote lijf op dat slanke vrouwtje. Alsof hij in geen jaren aan de gang was geweest.

Karel en ik keken ons ogen uit. Hij siste tussen zijn tanden: “Dat we dit mogen meemaken!”

Totdat hij ging verzitten op die stoel en ik mijn evenwicht verloor. Wat denk je? Ik viel, dwars door de spiegelwand!

Ik landde bovenop de kleding van die kerel, die zó hard schrok dat hij van haar afsprong.
Hij schreeuwde: “Ik word bestolen! Ik word bestolen!”

Toen graaide hij zijn kleding bij elkaar en zonder de dame te betalen rende hij poedelnaakt de Oudezijds op.

Ik keek naar Karel, die niet meer bijkwam van het lachen. Ik zei: “Ga jij dit maar uitleggen aan de baas!”

Gelukkig moest ook onze baas er vreselijk om lachen.

Die klant hebben we niet meer teruggezien. En ons hoertje? Die kreeg een nieuwe spiegel.